Ik heb je nog steeds niet gebeld

Ik heb je nog steeds niet gebeld

Vandaag loop ik even lekker door het dorp voor een paar boodschappen. Bij het naaiatelier aan de Jhr. von Heijdenstraat wil ik graag de broek van mijn uitvaartpak laten repareren, maar tevergeefs. ‘Hij is nu echt te dun geworden’, geeft de eigenaar aan. Kortom, tijd voor een nieuwe. Met de broek opgerold onder mijn arm loop ik even naar de Hema om een paar broodjes te scoren voor tussen de middag. Intussen groet ik regelmatig bekenden die me passeren.

In de Hema is het zoals zo vaak een gezellige boel. De tafels zijn flink bezet. Ook hier zie ik weer bekenden, twee oudere dames die gezellig even samen koffie aan het drinken zijn. Ik maak een praatje over het koude weer, de naderende verhuizing van de Hema en ook praat ik even met hen over de levensfase waarin beide dames nu zitten. ‘Ie maakt d’r straks veur mie moar een mooi feestje van’, geeft één van de dames me nog mee terwijl ik afscheid van hen neem. We moeten er samen smakelijk om lachen en ik beloof haar dat ik dat zal doen.

Mijn bestelling is klaar en met de broek onder de ene arm en in de andere hand een zak met broodjes loop ik naar buiten. Vanuit mijn ooghoek zie ik wederom een bekende.
‘Ik heb je nog steeds niet gebeld’, zo roept ze vanaf een afstand. ‘Ze doen het alle twee nog geweldig’. Ik begin te lachen. ‘Geweldig toch’, roep ik terug en ik steek mijn duim op. Haar ouders, beiden op hoge leeftijd, hebben alle twee lichamelijk flink moeten inleveren, maar ze zijn er nog. Ze hebben elkaar nog. Ze wonen dan wel niet meer in hetzelfde appartement, maar wel in hetzelfde huis. Met goede zorg van liefdevolle mensen om hen heen en met de liefde en aandacht van een stel geweldige kinderen mogen ze daar hopelijk nog een hele tijd samen zijn en van elkaars gezelschap genieten.

Want: ‘oald wörden is mooi, oald wean aait neet’.